Wat maakt een plek tot een échte ontmoetingsplek?
In gesprek met Stijn van Kreij over toeval, gedoe en de kracht van buurtverbinders
Een mooi ontworpen ontmoetingsruimte is geen garantie voor een bruisende buurt. Wat zorgt er dan wél voor dat een plek écht gaat leven? We spraken met Stijn van Kreij, oprichter van Butterfly Effect. Hij werkt met buurtverbinders aan gemeenschappen waar mensen elkaar werkelijk vinden — op het snijvlak van wonen, zorg en welzijn.
Stijn werkte zeventien jaar in de langdurige zorg, het laatst als innovatiemanager. Daar liep hij tegen iets paradoxaals aan. “We willen graag samenwerken met cliënten, mantelzorgers, vrijwilligers en buren. Maar als ik kijk naar wat we werkelijk doen, vinden we het heel moeilijk om gelijkwaardig samen te werken. We hebben eigenlijk belemmeringen voor inclusie gecreëerd.” Hij ontdekte dat die ongelijke verhoudingen diep verankerd zitten in de geschiedenis van de verzorgingsstaat — en dat ze leiden tot iets wat we vandaag breed voelen: eenzaamheid aan beide kanten. “Kwetsbare mensen die eenzamer worden, maar ook niet-kwetsbare mensen die zich eenzaam voelen omdat ze gescheiden zijn van mensen waar ze misschien iets voor zouden kunnen betekenen.”
Vanuit dat besef startte Stijn Butterfly Effect. De naam komt uit de chaostheorie: een vlinderslag aan de ene kant van de wereld kan een orkaan aan de andere kant veroorzaken. “Iets heel kleins kan een groot effect hebben door een kettingreactie. Wij zien toevallige ontmoetingen tussen mensen — die we vaak over het hoofd zien — als de kern van een gelukkig en gezond leven. Als je een rijk sociaal leven hebt, heb je voortdurend toevallige ontmoetingen. En als je in een omgeving woont waarin die ontmoetingen afnemen, neemt je welbevinden ook af.”
De kans op toeval vergroten
“Toeval klinkt alsof je er geen grip op hebt,” zegt Stijn. “Maar je kunt de kans op toeval vergroten of verkleinen. In de zorg verkleinen we die kans vaak — onbedoeld.” Een ontmoetingsruimte is een belangrijk begin, maar niet genoeg. “Er wordt soms een mooie ruimte gecreëerd en vervolgens gebeurt er niks. Bewoners doen er niks mee.” Dat heeft volgens hem te maken met sfeer, met design dat aansluit bij de buurt, maar vooral met eigenaarschap. “Als het eigenaarschap niet bij de gemeenschap ligt, voelen bewoners zich niet betrokken bij die plek. Als je ze uitnodigt, ze ruimte geeft en het beheer steeds meer aan hen toevertrouwt, gaat het bruisen.”
Buurtverbinders: bewoners met motivatie en talent
Bij Butterfly Effect spelen buurtverbinders een sleutelrol. Geen professionals, geen vrijwilligers in een traditioneel rooster, maar bewoners die geselecteerd worden op hun motivatie en hun verbindende talenten. “Een buurtverbinder past niet in een strak functieprofiel. Het zijn mensen die graag met hun talenten willen bijdragen aan de buurt.” Stijn geeft een voorbeeld: Rita, vitale 65-plusser in het Kloosterkwartier in Veghel. Haar talent? Kletsen. Haar man Tiny is goed in klussen. “Ze zien dat zelf niet als spectaculaire talenten. Maar voor een gemeenschap zijn ze hartstikke waardevol.”
Belangrijk is dat buurtverbinders altijd in groepen werken — zo’n acht tot tien per complex. “Dat hebben we geleerd. Met een kleinere groep wordt het te kwetsbaar. In een grotere groep heb je diversiteit: initiators die enthousiast nieuwe dingen opstarten, en meer introverte buurtverbinders die zorgen voor rust en structuur.” Hun rol is niet alleen om dingen te starten, maar ook om los te laten. “Als er een leesclubje is ontstaan op initiatief van een buurtverbinder en het clubje wil zelf verder, dan laat die buurtverbinder dat los en bedenkt iets nieuws. Het is een soort zwaan-kleef-aan-principe.”
Een open keuken in plaats van een restaurant
Hoe ziet dat er in de praktijk uit? Stijn noemt Wij zijn ZuiderSchans in Den Bosch — een voormalig verpleeghuis waar bewoners nu een open keuken beheren in het ontmoetingsplein op de begane grond. “In plaats van dat professionals de soep inschenken en daar geld voor afrekenen, is daar nu een keuken die gebruikt kan worden door de gemeenschap. Op donderdagmiddag serveren bewoners een lunch aan medebewoners.” Bij de ingang hebben bewoners zelf een soort welkomstcomité ingericht. “Twintig jaar geleden zou daar een receptie met een professional hebben gestaan. Het is veel logischer dat bewoners dat zelf organiseren als ze het leuk en belangrijk vinden.”
Een ontmoetingsplek hoeft trouwens niet groot te zijn, benadrukt Stijn. “Het kan ook een bankje in het park zijn, of een jeu-de-boulesbaan, of een schuurtje waar je met zijn allen koffie drinkt. We zien steeds vaker dat variatie helpt: ontmoetingen tussen drie of vier mensen, tussen vijftien mensen, en af en toe een buurtbarbecue met honderd. Een grote ruimte is niet per definitie beter.”
Drempels en doorbraken
De grootste uitdaging? Dat zorgorganisaties, woningcorporaties en gemeenten de ruimte durven te geven. “Het is niet makkelijk om los te laten. Een zorgorganisatie wordt door de inspectie verantwoordelijk gehouden voor wat er gebeurt — wat als er een fles wijn opengaat zonder overleg, wat als iemand een voedselvergiftiging oploopt?” Bij Wij zijn ZuiderSchans was de ontmoetingsruimte aanvankelijk alleen toegankelijk als professionals aanwezig waren, tussen negen en vier. Geleidelijk, op verzoek van de bewoners, zijn de toegangstijden verruimd. “Dat is precies de oefening: van een ruimte die onder verantwoordelijkheid valt van de zorgorganisatie naar een gemeenschapsruimte die gedragen wordt door de gemeenschap. En dan gelden de HACCP en de AVG ook niet meer en kunnen organisaties wat ontspannen. Zo zetten buurtverbinders foto’s van activiteiten gewoon op Instagram, zonder een verplicht toestemmingsformulier. Binnen een gemeenschap mag dat gewoon, en spreken mensen elkaar aan als ze er iets van vinden. Maar voor een zorgorganisatie is dat spannend. Juist een bericht op Instagram is voor mij een teken van inclusie.”
Ook bij woningcorporaties vraagt de ontwikkeling van gemeenschappen om anders kijken. “Je krijgt nu voorrang op een woning op basis van kwetsbaarheid en woonurgentie. Wij stellen voor om ook een aantal woningen vrij te houden voor buurtverbinders — op basis van talent en motivatie. Dat zet het hele selectiemechanisme op zijn kop. Dat vraagt om een heldere visie, maar ook om aanpassingen van werkprocessen. En dat gaat met vallen en opstaan.”
Begin bij de bewoners
Welke tip geeft Stijn mee aan iedereen die werkt aan een bruisende ontmoetingsplek? “Begin bij de bewoners en focus op waar de energie zit. En energie kan ook weerstand zijn. Als mensen heel fel tegen iets zijn, zit daar betrokkenheid in — gecombineerd met teleurstelling. Betrokkenheid plus teleurstelling is weerstand. Als je die teleurstelling oprecht erkent, kun je weerstand omzetten in energie om iets nieuws te doen.”
En verder: blijf niet te lang hangen in plannen. “Zeker als je gaat samenwerken met wonen, zorg en welzijn, kun je uren vergaderen. Beter is om met een klein clubje de lijntjes te leggen en gewoon te beginnen. Al doende leren we.”
Stijn ziet dat we aan het begin van een grote transitie staan. “We hebben pas vijf, misschien tien procent van het potentieel bereikt. Ik hoop dat we over vijf jaar op vijftig procent zitten en dat de zorgsector er in 2040, als de vergrijzing op haar hoogtepunt is, wezenlijk anders uitziet. De vergrijzing wordt vaak als probleem geframed, maar er zijn superveel mensen in Nederland die hartstikke veel willen bijdragen, waaronder veel vitale ouderen. Daar zit een enorme kans.”
En het einddoel? Stijn glimlacht. “Mijn doel is geslaagd als we over tien jaar overal in Nederland bruisende gemeenschappen hebben en dat Butterfly Effect heeft bijgedragen aan de versnelling van deze beweging. Ik hoop dat Butterfly Effect tegen die tijd overbodig is geworden omdat bewoners zelf aan het roer staan van de plek waar ze wonen en omdat partners gemeenschapsgericht werken in hun houding en processen geïntegreerd hebben. Dan hoeven we bewoners die zich inzetten voor hun buurt ook geen buurtverbinders meer te noemen, maar hebben we het over betrokken bewoners die samen hun ding doen.”
